Krotwoningen en pottenbakkerij in de Westerstraat

In het najaar 2002 werden de panden Westerstraat 226-230 samen met de daarachter gelegen onbewoonbaar verklaarde huizen 220-224 gesloopt om plaats te maken voor ouderenwoningen. De drie achterhuizen waren bijzonder omdat het de laatste originele voorbeelden waren van krotwoningen waar in de 19e eeuw en de vroege 20ste eeuw arme Jordanesen onderdak vonden. Ze zijn dan ook zorgvuldig gedemonteerd om weer in oorspronkelijke staat te worden opgebouwd in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. De woningen waren klein, donker en vochtig en alleen te bereiken via een smalle gang vanaf de Westerstraat. Deze Pottenbakkersgang was ook een typisch overblijfsel van de oude inrichting van de Jordaan. Er waren in deze stadswijk op veel plaatsen tussen de huizen smalle stegen of gangen die naar bebouwde achtererven liepen. Vaak werden deze doorgangen vernoemd naar beroepen, zoals ook in dit geval.

Om meer te weten te komen over de geschiedenis van deze woningen werd in overleg met het stadsdeel Centrum besloten tot een archeologisch onderzoek voorafgaand aan de nieuwbouw aan de Westerstraat/Pottenbakkersgang. De opgraving vond in februari 2003 plaats. Het was het vijfde onderzoek dat het veldteam van de afdeling Archeologie sinds 1999 in het gebied rond de Tichelstraat, Lindengracht en Karthuizersstraat had uitgevoerd. Dit deel van de Jordaan is interessant omdat hier al bebouwing stond voordat de 17e-eeuwse stadswijk werd aangelegd (zie opgraving Karthuizersstraat). Rond 1400 verrees er het Kartuizerklooster met een groot ommuurd hof en verschillende gebouwen. vanaf circa 1580 vestigden zich in de ruïnes van het klooster allerlei werkplaatsen, waaronder pottenbakkerijen, een rosmolen en een bronsgieterij.

Ook kwamen er vanaf 1600 verschillende herbergen, waarvan archeologische overblijfselen in de Karthuizersstraat zijn teruggevonden. Vandaag de dag herinneren straatnamen als Tichel(=tegel)straat, Pottenbakkersgang en Gieterstraat nog aan deze vroege ambachtelijke activiteiten in de Jordaan. De namen van sommige ambachtslieden zijn zelfs nog terug te vinden in oude documenten in het gemeentearchief, zoals Christiaen van Abelen die in 1598 zijn pottenbakkerij (‘plateelbakkerij’) op het kloosterhof vestigde en gekleurd aardewerk (majolica) en Delfts blauw aardewerk (faience) maakte. Ook komt ene Huych Gerritsz Harinck in de geschriften voor die hier in 1606 een tegelbakkerij had. Toch is nooit achterhaald waar hun werkplaatsen precies stonden. De laatste opgraving lijkt hier verandering in te brengen.

De funderingen toonden aan dat de drie krotwoningen al voor 1750 waren gebouwd. Dit is een duidelijk bewijs dat in de 18e eeuw het woningtekort in de Jordaan zo nijpend werd dat de binnenterreinen volgebouwd raakten. Daarvoor stonden er op die plek aan de steeg ook al enkele stenen huizen. Dit zijn de eerste woonhuizen die rond 1650 in de nieuwe stadswijk de Jordaan aan de Anjeliersgracht (zoals de Westerstraat voor de demping in 1861 heette) werden gebouwd. Onder deze woonhuizen kwam de vloer van een werkplaats te voorschijn. Het was een open werkvloer van gele ijsselstenen en ronde natuurstenen, met houten randen en mogelijk voorzien van een afdak. Vanwege de bebouwing van de belendende panden kon de werkplaats niet in zijn geheel worden vrijgelegd. Het preciese doel ervan kon dan ook niet worden achterhaald. Wel is duidelijk dat de werkvloer van 1600 tot circa 1650 in gebruik was. Naast de werkplaats stond eerst van 1600 tot 1625 een eenvoudig houten bouwsel met een stookplaatsje van bakstenen, dat daarna vervangen is door een groter houten huis. Hiervan zijn de houten vloeren van de begane grond verdieping teruggevonden. De planken vloeren waren op houten palen gefundeerd, in tegenstelling tot de latere Jordaan woningen die doorgaans een souterrain met een vaste plavuizenvloer hadden. Dit is mogelijk hetzelfde houten huis dat op deze plek is afgebeeld op de stadsplattegrond van Floris van Berckenrode uit 1625.

De belangrijkste vondst was een dikke laag zand met pottenbakkersafval dat over deze fundamenten was gestort en waarop tussen 1625 en 1650 de woonhuizen van de Jordaan werden gebouwd. Het afval bestond uit misbaksels van aan elkaar gekoekte dakpannen en ook uit tegels en borden zonder glazuurversiering (zogenaamd biscuit) en aardewerken houders (zogenaamde proenen) waarmee majolica borden in de oven werden opgestapeld. Kortom, afval dat zowel met tegel- als pottenbakkerijen te maken heeft, die niet ver van deze locatie kunnen hebben gelegen. Aangezien uit eerdere opgravingen bleek dat de Karthuizersstraat- Tichelstraat de zuidwesthoek van het voormalige kloosterhof markeren, lijkt de ligging van een pottenbakkerij ter hoogte van de kruizing van deze beide straten en de Gieterstraat het meest voor de hand liggend.

De pottenbakkerij werd waarschijnlijk tussen 1625 en 1650 opgeheven toen de Tichelstraat naar het westen werd doorgetrokken en de eerste woonhuizen op het kloosterhof werden gebouwd. Tenslotte zijn in de bodem onder deze werkvloer nog oudere sporen van menselijke activiteiten teruggevonden. vanaf circa 1575, toen het klooster in ongebruik was geraakt, werden hier langs de gracht terreintjes opgehoogd met afval en puin van het klooster, waarschijnlijk met de bedoeling om eenvoudige werkplaatsjes in te richten. Hier en daar werd de drassige grond verstevigd met oude 16e-eeuwse plavuizen die uit de bouwvallige kloostergebouwen werden gesloopt.

J. Gawronski, 2/4/2003

Bron: bureau Monumenten & Archeologie, Amsterdam